Over Gezondheid

Nadat ik besloten had dat ik Ierse Wolfshonden wilde gaan fokken ben ik mij gaan verdiepen in de theorie van het fokken. Mijn ‘honden CV’ kun je hier bekijken.

Als eerste op de agenda stond het ‘Symposium Genetica voor de Kynologie’, georganiseerd door het ExpertiseCentrum Genetica Gezelschapsdieren van de faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht, in samenwerking met de Raad van Beheer. Dit symposium maakte onderdeel uit van de ambities in het plan Fairfok en was gericht op het ontwikkelen van een methodiek om te komen tot een duurzame fokkerij van gezonde honden. Ik was bang dat dit symposium te hoog gegrepen zou zijn voor mijn kennisniveau maar gelukkig was dat zeker niet het geval en heb ik veel opgestoken over genetica, erfelijke ziektes, en dat dit een groot punt van zorg is in de huidige fokkerij van rashonden.

Vervolgens heb ik mij ingeschreven voor de Raad van Beheer Kennistourlezing ‘Fokken voor Diversiteit’ van Pieter Oliehoek. Dit is het echte begin geweest van mijn fascinatie (of volgens sommigen obsessie) voor het onderwerp diversiteit en populatie genetica. Wat Pieter duidelijk maakte, dat heel veel rashonden in grote problemen gekomen zijn door het sluiten van de genenpoel van dat ras, werd keer op keer bevestigd. Tijdens de cursus Erfelijkheidsleer en fokken van honden van Aeres, de lezing ‘Verantwoord fokken, de invloed van inteelt’ door Ed Gubbels, de lezing ‘Inteelt & Outross’ door Marjoleine Roosendaal, de cursus ‘Fokkerij Hond’ van EduPet, een fokkercongres gegeven door Aeres en tijdens de verdiepingsavond Raad van Beheer inzake outcoss/aankeuren. Pieter Oliehoek en Ed Gubbels heb ik nog meerdere keren daarna horen spreken. Allemaal verschillende wetenschappers en ervaringsdeskundigen maar de kern van de boodschap was gelijk: toenemende verwantschap in een populatie door een gesloten genenpoel lijdt vroeger of later tot grote problemen met erfelijke ziektes en tot een algehele afname van de fitness van een ras door inteeltdepressie indien er niet voldoende diversiteit meer aanwezig is in die genenpoel. Inteeltdepressie uit zich onder andere door afnemende vruchtbaarheid, afnemend natuurlijk gedrag bij paringen en bij de jonge moeder, steeds kleinere of bij sommige rassen juist grotere nesten, toenemen van problemen met het afweersysteem, allergieën, angst en andere gedragsproblemen en, heel duidelijk bij de Ierse Wolfshond, een afnemende levensverwachting. Eigenlijk een algeheel afnemende fitness van het hele ras. Ik noem het zelf de sluipmoordenaar want het gaat zo langzaam dat het pas opvalt wanneer je naar tientallen jaren kijkt.

Wat heb ik zoal geleerd:

De hond heeft circa 20.000 (Pieter Oliehoek) genenparen of loci, 1 set van de moeder, 1 set van de vader. In het beste geval heeft de hond op elke loci 2 verschillende genen, ook wel allelen genoemd. Een allel kan ziek zijn, meestal is dat een recessieve versie. Zo lang er een gezond allel tegenover staat is de hond wel drager, maar wordt niet ziek. Wanneer er met een drager gefokt wordt, zullen de nakomelingen ook een kans hebben om drager te zijn, namelijk 50%. De moeder geeft 1 van de allelen mee aan haar kroost, en ze heeft 1 gezonde en 1 ‘zieke’. De problemen ontstaan wanneer de vader ook drager is van hetzelfde zieke allel. Ook hij geeft 1 gezonde en 1 zieke versie mee van het allel. Een snelle mathematische berekening geeft dan aan dat je 25% kans loopt op een pup met 2 zieke allelen en deze pup is dan een lijder. Veel genetische aandoeningen zijn nog niet te testen dus je weet niet wanneer een hond een drager is. Het probleem wordt nog groter wanneer een ziekte zich pas op latere leeftijd uit, zoals DCM bij de Ierse Wolfshond. Dan kan het dus zijn dat er zelfs met lijders gefokt wordt, waardoor het zieke allel zich razendsnel door de populatie kan verspreiden.

Nou horen erfelijke ziektes bij het leven. Ieder mens en iedere hond draagt meerdere zieke allelen bij zich, de ene schadelijker dan de ander. Bij een grote, genetisch gevarieerde populatie is de statistische kans dat een drager een andere drager treft en een lijder produceert niet zo groot. De genenpoel van de mensen is niet gesloten en er is een populatie van miljarden dus de kans op een erfelijke ziekte is acceptabel laag. Bij de rashond ligt dit anders. Een rashond krijgt alleen een stamboom wanneer beide ouders raszuiver zijn en dus ook een stamboom hebben. De afkomst kan gecontroleerd worden met een DNA afstammingscontrole en in Nederland is dat ook verplicht en neemt de Raad van Beheer DNA af van elke geboren raspup. Alleen wanneer vastgesteld is dat de ouders de door de fokker opgegeven ouders zijn, krijgt de hond een stamboom. Kortom, de genenpoel is hermetisch gesloten, er kan nooit meer vreemd bloed bij. Dit hoeft in theorie geen probleem te zijn wanneer de betreffende populatie voldoende groot is om het inteeltpercentage per generatie onder de 1% te houden. Onderzoek heeft uitgewezen dat je dan per generatie zo’n 20 onverwante reuen en 20 onverwante teven nodig hebt. De realiteit zal zijn dat dit in de praktijk weinig tot niet meer voor zal komen bij onze rashonden.

Daar zijn meerdere oorzaken voor. Veel rassen zijn begonnen met maar een beperkt aantal founders, de oorspronkelijke voorvaderen van dat ras. In het beste geval waren die founders niet aan elkaar verwant maar waarschijnlijker is dat daar ook al enige verwantschap aanwezig was. Het ras kan al nooit méér diversiteit hebben dan de diversiteit die aanwezig was in die founders. Vervolgens verdwijnen founders, genetisch gezien, ook nog regelmatig uit de genenpoel. Bijvoorbeeld door overlijden van de nakomeling die voor de fok aangehouden was, terwijl er met de rest van het nest niet gefokt werd. Meer impact hebben de wereldoorlogen gehad, de populatie van veel rassen is toen dramatisch afgenomen en de kans is groot dat daarmee ook founders genetisch verdwenen zijn. Vervolgens werden de grote hondenshows steeds populairder. Een keurmeester bepaalde, al dan niet onafhankelijk, welke reu de mooiste was, puur gebaseerd op uiterlijk. Echte kampioensreuen, dus de reuen die show na show wonnen, werden mateloos populair en veel fokkers wilden nakomelingen van die reu. Dit heet het popular sire syndroom. De ‘mindere’ honden werden niet of nauwelijks ingezet, waarmee hun genen mogelijk voor altijd uit de genenpoel verdwenen. De genen van de kampioensreuen en hun nakomelingen raakten oververtegenwoordigd in de genenpoel, en daarmee ook de zieke allelen die ze bij zich droegen. Tegen de tijd dat er veel lijders ontdekt worden is het al te laat, dan zijn die zieke allelen al wijd verspreid door de populatie. Als er een DNA test is kan zo’n ziekte weer uitgebannen worden, dat wil zeggen er kan voor gezorgd worden dat er geen lijders meer geboren worden door altijd een ouder te gebruiken die ‘vrij’ is voor die ziekte. Dit lijdt wel weer tot verdere selectie waardoor er weer meer unieke allelen verloren gaan. Bij overmatige selectie op erfelijke afwijkingen die weinig impact hebben op het welzijn van het dier wordt ook wel eens gezegd dat het kind met het badwater weg gegooid wordt. Ongebreideld testen en uitsluiten is dus ook niet de oplossing.

Wat is dan wel de oplossing? Het slechte nieuws, voor de rashonden, is dat die oplossing niet zo eenvoudig is. Ten eerste zal er per ras bepaald moeten worden hoe het gesteld is met de verwantschap binnen dat ras. Hoe hoger de verwantschap, hoe lager de diversiteit. Er zal gekeken moeten worden hoeveel unieke allelen er nog aanwezig zijn binnen dat ras, en hoe die verspreid zijn binnen dat ras. In een heel gunstig geval is er nog wel wat diversiteit aanwezig in het ras en zal er ‘alleen’ maar voor gezorgd moeten worden dat die diversiteit behouden én verspreid wordt. Hiervoor moeten de fokkers van dat ras wél samenwerken en bereid zijn om diversiteit op plaats 1 te zetten in plaatst van ‘schoonheid en type’.

Wanneer uit de data blijkt dat er niet voldoende diversiteit meer aanwezig is binnen een ras dan is de enige mogelijkheid om die diversiteit weer te verhogen het toevoegen van nieuwe unieke allelen vanuit andere onverwante rassen door middel van outcross/crossbreeding. Zolang de verwantschap binnen het bijdragende ras niet bekend is, is alleen de eerste hond die ingezet wordt vanuit dat ras een nieuwe founder. Een tweede hond van hetzelfde ras is immers hoogstwaarschijnlijk weer heel erg verwant aan de eerste en draagt dus wellicht weinig nieuwe allelen bij. Wanneer de verwantschap wel bekend is dan zouden er meerdere exemplaren ingezet kunnen worden die bewezen een ander genenpakketje hebben. Wanneer je naar minder dan 1% inteeltpercentage per jaar zou willen werken, een percentage waarbij de natuur de inteelt zelf kan ‘corrigeren’, dan zou je dus heel wat nieuwe founders toe moeten voegen in de meeste gevallen.

Outcross of crossbreeding is dan ook geen gouden pil. Dat kan het zijn, bijvoorbeeld in het geval van de Dalmatische Hond, waarbij met 1 outcross in het verleden een gezond allel aan de populatie toegevoegd is voor een heel vervelende erfelijke aandoening waar 100%, ja echt 100% van de Dalmaten aan leden, LUA, oftewel Low Uric Acid. De gezonde versie van het allel was namelijk compleet verloren gegaan. LUA is een zeer nare, pijnlijke en soms zelfs dodelijke aandoening. Deze outcross is 40 jaar geleden gebeurd en heeft ervoor gezorgd dat er een populatie Dalmaten is zonder deze aandoening. Maar zelfs nu, 40 jaar later, is er discussie of die Dalmaten wel raszuiver genoemd mogen worden, en zijn er landen die ze zelfs niet als raszuiver erkennen. Die laten dus liever een hond 100% zeker kans hebben op lijden aan een pijnlijke aandoening dan dat er 40 jaar geleden eenmalig een outcross gedaan is om dit probleem op te lossen. Voor mij bizar!

Maar goed, geen gouden pil. Recente studies tonen aan dat outcross of crossbreeding alleen zin heeft wanneer het heel breed en min of meer continue ingezet wordt. Wanneer na de outcross meteen uitsluitend terug gefokt wordt naar het ontvangende ras, dan ben je weer heel snel terug bij je ‘schoonheid en type’ (2 tot 3 generaties) maar je verdund de toegevoegde unieke allelen ook weer heel erg snel. Dus om crossbreeding succesvol toe te passen heb je intensieve internationale samenwerking nodig, pup kopers die bereid zijn de pups uit de generaties te kopen die nog veel diversiteit in fenotype laten zien, en een realisatie dat een divers genotype zorgt voor een divers fenotype. Geen eenheidsworst meer, en fokkers die nauwelijks kunnen kiezen tussen hun pups omdat ze allemaal op elkaar lijken, maar honden waarmee je op straat loopt en mensen zeggen ‘kijk, een Ierse Wolfshond’!

Een mooie droom. Ik vrees dat het daarbij blijft. Maar voor mezelf wil ik in ieder geval geprobeerd hebben om een heel klein steentje bij te dragen. Alleen de tijd zal leren of de theorie in de praktijk uitkomt, door te kijken of de door mij gefokte nakomelingen inderdaad gezonder zijn dan hun raszuivere ouders.